Als er één merk is waar mijn hart sneller van gaat kloppen, dan is het Panerai. Ik ben een echte Panerai-fan — en dat zie je terug in wat ik verzamel en verkoop.
Het begint allemaal in 1860 in Florence, waar Giovanni Panerai een horlogewinkel en werkplaats opent aan de Ponte alle Grazie. Panerai groeide uit tot leverancier van precisie-instrumenten voor de Italiaanse Koninklijke Marine, de Regia Marina. Geen modemerk dus, maar pure techniek voor mannen die het écht nodig hadden.
In 1916 patenteerde Panerai "Radiomir": een lichtgevend poeder op radiumbasis dat wijzerplaten en vizieren leesbaar maakte in het donker en onder water. In de jaren ’30 volgden de eerste Radiomir-horloges voor de marineduikers en kikvorsmannen — met die onmiskenbaar grote kussenvormige kast, draadoog-bandaanzetten en een wijzerplaat die je zelfs op tien meter diepte nog kon aflezen. De kasten en uurwerken kwamen in die tijd deels van Rolex; twee legendes die elkaar vonden.
In 1949 kwam het beroemde "Luminor"-patent, met een veiliger lichtgevend materiaal, en het iconische bruggetje dat de kroon afdekt en aandrukt — voor mij hét herkenningspunt van een Panerai. Decennialang bleef het merk vrijwel geheim: alleen voor de marine, niet te koop voor het publiek.
Dat veranderde in 1993, toen Panerai zijn eerste publieke collectie uitbracht. Het was Sylvester Stallone die het merk ontdekte en in de film Daylight (1996) droeg — dat gaf Panerai in één klap wereldfaam. In 1997 nam de Richemont-groep het merk over, en sindsdien is Officine Panerai uitgegroeid tot een gewild luxemerk.
Vandaag de dag maakt Panerai in zijn manufactuur in Neuchâtel eigen uurwerken, en draagt elke Luminor, Radiomir en Submersible nog steeds dat stoere, Italiaanse DNA met Zwitserse precisie. Een Panerai draag je niet zomaar — je draagt een stuk geschiedenis om je pols. En precies dáárom kan ik er geen genoeg van krijgen.